Huurprijsbeleid voor de periode 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018

Met betrekking tot de jaarlijkse huurverhoging bepaalt de Rijksoverheid de maximaal toegestane huurverhoging voor woonruimte behorend tot de zgn. sociale sector. 

Voor 1 juli 2017 is deze gesteld op 1,8%. Dit percentage is opgebouwd uit 0,3% inflatie (2016) plus een maximale opslag van 1,5%. Voor huurders van reguliere woningen geldt voorts dat de inflatie (0,3%) met een inkomensafhankelijke verhoging van 2,5% of 4% verhoogd mag worden. Voor huurders van woonwagens en standplaatsen geldt deze inkomensafhankelijke verhoging niet.

Voor huurders van woningen in de zgn. vrije sector (geliberaliseerde huurovereenkomsten) geldt overigens geen maximumpercentage. 

Het is wettelijk niet toegestaan dat de nieuwe huurprijs de maximaal redelijke huurprijs overschrijdt. De kwaliteit van woonruimte (dus ook woonwagens en standplaatsen) wordt, overeenkomstig de in de Huurprijzenwet Woonruimte vastgelegde regels, in punten uitgedrukt. Bij elk totaal hoort een maximaal redelijke huur.

Per 1 juli 2017 stijgt de maximaal redelijke huurprijs voor woonwagens en standplaatsen met 0,3%. Indien de nieuwe huurprijs de maximaal redelijke huurprijs overstijgt, wordt het percentage huurverhoging naar beneden bijgesteld.  Ervan uitgaande dat de verhuurder minimaal de inflatie volgt, houdt dit in dat de huurprijsverhoging per 1 juli 2017 kan variëren tussen 0,3% en 1,8%. 

Tot slot wordt over het algemeen nog met het volgende rekening gehouden. Om voor huurtoeslag in aanmerking te kunnen komen, mag de totale kale huurprijs van woonwagen en standplaats het maximale bedrag van € 710,68 (geldend sinds 01-01-2015) niet overschrijden.